Een dag
Alternatieve versie op:
Een dag
Auteur: Kees Stempels
Uit: De glazen bol, Amsterdam 1954
‘Laat eens zien,’ zei het meisje. De matroos gaf haar de granaat. Aandachtig bestudeerde ze het pas verworven voorwerp. De granaat was donkergroen en opgedeeld in kleine vierkanten vakjes. Bovenop werd hij smaller en aan de top bungelde een mechanisme: de pin. Deze was van kil en helder staal. ‘Mag ik ook eens kijken?’ vroeg de lange. ‘Met een sierlijke worp gooide ze de granaat naar de langste. ‘Ho zeg!’ riep deze. ‘Wat nou?’ reageerde het meisje ietwat brutaal, ‘hij is toch nep?’ – ‘Dat betekent nog niet dat je ermee hoeft te gooien’, reageerde de lange ietwat gepikeerd.
Janny en ik keken geboeid naar wat er zich afspeelde. Het meisje lag languit op haar buik terwijl ze haar hoofd op haar handen liet rusten, nog altijd had ze een wat brutale blik in haar ogen. Het leek erop dat zij de lange matroos wel leuk vond. ‘Niet helemaal gek dat we die hier vinden’, zei de matroos die de granaat had gevonden, ‘ik zei toch dat mijn vader dit strand heeft schoongemaakt.’ ‘En hoe,’ reageerde de lange terwijl hij de granaat voor het gezicht van zijn vriend liet dansen. Deze leek zich aangevallen te voelen en zei: ‘Geef nou maar weer terug,’ en hij pakte de granaat weer terug.
De zon begon aan zijn weg naar beneden en onze schaduwen werden langzaamaan langer. Verderop riep een vrouw iets naar de kinderen, deze kwamen vervolgens uit de zee en renden naar haar toe. Hun badhanddoekjes sloegen ze om zich heen en langzaam sjokten ze achter de vrouw aan, weg van het strand. Ik kneep mijn ogen weer dicht en begon wat weg te doezelen toen het meisje weer begon te praten: ‘Haal anders de pin er eens uit’. ‘Waarom?’ vroeg de matroos, ‘hij is toch nep, je schiet er niks mee op.’ ‘Dan is het toch ook niet zo erg?’ reageerde ze. De matroos keek vertwijfeld naar zijn vriend. Die leek diep na te denken. ‘Of durf je soms niet?’ zei het meisje toen plagerig. ‘Het heeft niks met durf te maken’, antwoordde de matroos, ‘ik zie het nut er gewoon niet van in’, en hij haalde zijn schouders op. ‘Geef dan aan mij, dan doe ik het wel,’ – ‘Mooi niet, ik houd hem’. ‘Toe nou,’ begon het meisje weer, en ondertussen probeerde ze de granaat af te pakken. De boel liep uit op een kleine worstelpartij, maar de matroos wilde overduidelijk het meisje geen pijn doen. Janny deed haar ogen nu ook open en keek aandachtig naar het schouwspel. De jongen stond op en deed een stap naar achteren: ‘Ik zeg toch, je krijgt hem niet’. Weer had het meisje die brutale blik in haar ogen. Ook zij was nu opgestaan, haar ogen waren al die tijd op de granaat gefixeerd. En toen, met een razendsnelle beweging stapte ze naar voren en wist de granaat uit de linkerhand van de matroos te grissen. ‘Hebbes!’ riep ze triomfantelijk en ze rende weg richting de zee, met de granaat als trofee boven haar hoofd.
Ze was nu zo’n vijftig meter bij ons vandaan en draaide zich om, haar blik op ons gericht. ‘Hier is die enge granaat van je!’, en ze zwaaide ermee. De lange was nu ook opgestaan terwijl de andere matroos resoluut op haar afliep: ‘Geef nou terug,’ – ‘Nee!’ riep ze zonder enige vertwijfeling en ze rukte de pin uit de granaat. ‘Ik ben niet zeker!’ riep de lange toen wanhopig. De ogen van het meisje werden zo groot als struisvogeleieren, met nog altijd de granaat boven haar hoofd, stevig in haar rechterhand.

