Drie hulpeloze mannen
Een machine verspreide een monotone piep door de kamer. “Piep,” vervolgens was het even stil, en dan… Daar was het weer! “Piep.” Om het bed van mijn moeder stonden drie kerels, die de ballen wisten van hoe ze moesten omgaan met een situatie als deze. Ik was een van die kerels, mijn vader en broer waren de andere twee.
We groetten haar, en één voor één zoenden we haar driemaal op haar wangen. Ik rook de lucht van braaksel, maar het kon me niet schelen.
Onder de witte lakens van het ziekenhuisbed lag mijn moeder, althans daar moest ze voor doorgaan. Ze was geen schim van de persoon die ze normaal was. Maar wat was normaal? Was dit niet normaal? Ik vond het allemaal maar erg verwarrend.
Ongemakkelijk leunde ik van het ene op het andere been, het bleef stil. Ze was bijna zo wit als het kussen waar haar hoofd op lag. Haar haar zat dof en verward door elkaar. Haar ogen waren mat en haar lippen bleek. Ze leek ouder dan normaal. Alsof ze in één nacht tien jaar ouder was geworden.
‘Hoe voel je je?’ Hoorde ik mezelf dom vragen. Dom, want hoe kon iemand in haar situatie zich nou iets anders dan ellendig voelen? Maar gelukkig was de akelige stilte er wel even door verbroken.
Ze lachte flauwtjes. ‘Ja, het gaat wel,’ maar we zagen allemaal dat het juist niet ging. ‘Ik ben alleen erg misselijk.’
Dat hadden we allemaal al begrepen.
‘Sommige mensen kunnen zich nog erg lang beroerd voelen van een narcose,’ legde mijn vader ons uit. We knikten begrijpend. Pa had al eerder langs mogen komen, wij zagen haar nu voor het eerst.
‘De operatie is goed gegaan zeiden de dokters,’ ging mijn vader verder. ‘Volgens hen zal ze volledig genezen.’ Hij zei het alsof ze er zelf niet bij was.
‘Natuurlijk.’ Zei mijn broer meteen.
Voordat ze geopereerd zou worden hadden we er al uitvoerig over gepraat, maar toch voelde het allemaal vreemd. Ik durfde dan ook totaal niet naar iets anders dan haar hoofd te kijken. In gedachten zag ik het gapende gat naast haar rechterborst al voor me. Ik kneep mijn ogen dicht en wreef met een hand over mijn slapen.
Er hing een akelige lucht in de kamer, een typische ziekenhuislucht. Een combinatie van ontsmettingsmiddelen, schone lakens en braaksel. Al was braaksel misschien niet het juist woord. Het was eerder die zieke lucht die in een kamer gaat hangen, waar iemand met griep vierentwintig uur in heeft gelegen.
Moeizaam kwam mijn moeder overeind. ‘O, jee,’ zei ze nog. Toen begon ze te kokhalzen. Net op dat moment kwam er een zuster binnen. Vlug duwde die een braakbakje onder haar gezicht. Hulpeloos stonden we om haar bed.

