De hoed

Zachtjes viel de regen uit de lucht. De man wil een greep doen naar zijn paraplu, maar merkt dat deze niet aan zijn arm hangt. Verstrooid draait hij een rondje, om er zeker van te zijn dat hij hem niet zonet heeft laten vallen. Ruw wordt de man uit zijn gedachten gehaald, wanneer de wind opsteekt en zijn hoed meeneemt. Als een bord rolt de hoed op zijn zij over de stoep. Met een ietwat onhandige tred, die tussen lopen en hollen in zit, gaat de man achter zijn hoofddeksel aan. ‘Ai, ai, ai’, mompelt hij zachtjes. Plots draait de wind en de hoed maakt een scherpe bocht naar links. Door hierop te anticiperen valt de man bijna op het trottoirs, zijn rechterschoen glijdt over de tegels. Met de armen voor zich uit, alsof hij de grond wil omhelzen, weet de man zich weer in evenwicht te krijgen. Vlug strijkt hij zijn jas weer recht en kijkt om zich heen, de hoed verdwijnt net de hoek om. Hij zet er de pas weer in, holt zelfs een stukje en weet zijn hoed in te halen. Om deze er van te weerhouden verder op avontuur te gaan zet hij er zijn linkervoet op. Hij bukt voorover om de hoed op te pakken, eenmaal dicht bij de grond ziet hij links van zijn hoed een bloedrode, gelakte schoen verschijnen. En niet ver van deze schoen verschijnt eenzelfde schoen, terwijl de eerste schoen zich alweer verwijdert. Langzaam komt de man overeind. Met de hoed in zijn handen, kijkt hij over zijn schouder en ziet een beeldschone vrouw over het trottoirs lopen.

Terwijl er nog wat zand aan zit, zet de man dromerig de hoed op zijn hoofd. Een enorme drang komt opzetten, zoals er bij hoogtevrees de drang is weg te gaan bij een afgrond. Maar deze drang voelde goed, voelde vertrouwd. Vanaf een afstandje volgde hij de vrouw. Zacht wapperden haar lange, blonde haren in de herfstwind. Bij het lopen wiegde ze haast onmerkbaar met haar heupen, en ook haar schouders gingen mee: rechts, links, rechts, links. In haar rechterhand hield ze een mobiele telefoon waar ze druk in praatte. Ze hield nu stil bij een stoplicht en ratelde onverstoorbaar verder terwijl ze wachtte op het groene licht. De man was inmiddels naast haar komen te staan. Alles aan dit moment leek ontzettend breekbaar. Bang om het in scherven uiteen te laten vallen, draaide hij heel langzaam, en bijna onmerkbaar, met zijn hoofd naar rechts. Hij zag haar knalrode lippen en de witte tanden die zichtbaar werden wanneer ze sprak. Ook haar wangen waren een beetje rood, misschien door het gure weer, maar misschien ook door haar snelle manier van lopen. Hij moest iets zeggen, nu moest hij iets zeggen. Wilde hij niet onopgemerkt aan haar leven voorbij gaan, dan moest hij nu zijn mond opentrekken. Anders was het allemaal voor niets geweest. Dan was hij net als de wind. Vluchtig, iets wat je even merkt, maar daarna weer vergeten bent. Haar blauwe ogen straalden als diamanten, ze leek gelukkig. Ook hij voelde nu iets van geluk in zich borrelen. Het was kil en guur buiten, maar van binnen was hij nu warm. Zijn lippen plakten aan mekaar en voor even leek het alsof hij nooit meer zijn mond open kon doen. Maar nee, langzaam opende zich zijn mond en er ontstond een ruimte voor geluid, zijn geluid. En op het moment dat hij haar wilde aanspreken floepte het licht op groen en daar ging ze weer, in haar soepele, vlugge tred. De kaken van de man klemden zich op mekaar, terwijl het licht naar rood verschoot. Een windvlaag stak op en nam zijn hoed wederom mee. Hij maakte een draai van 180 graden en liep weg, terwijl de hoed achter de vrouw aan waaide en even leek te lachen.

Geef een reactie

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log Out / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log Out / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log Out / Bijwerken )

Verbinden met %s