De Avonden (parodie)
Gespannen wachtte ik af, straks zou het komen. Ik keek nog een keer op de klok: twintig over zes. Ja, nu kon het ieder moment komen. Een luid belgeklingel klonk van beneden. Kijk, daar ga je al. Nu nog niet meteen gaan; wachten…wachten. Gestaag tikten de seconden voorbij. Nu zegt ze: ‘Hebben ze het wel gehoord?’ en dan zonder een antwoord af te wachten… Ja, nog heel even en dan komt het. Wederom het geklingel van een bel. Heb me lief, daar gaat ie al!
Moeizaam stond ik op van mijn stoel en liep de trap af. De bel met het motief van een kat erboven wiegde nog naast de trap. ‘Ding dong, ding dong’, dacht ik, ‘de bel voor het eten luidt, dus komt allen! Komt allen! De mis begint zo!’
Ik liep de kamer in en ging aan tafel zitten. Mijn broer was ook net binnengekomen.
“He hè”, zei mijn vader.
‘Nu komt het doof zijn’, dacht ik.
“Zijn jullie doof of zo?”
‘Eureka!’ ging het door mijn hoofd.
“Jullie zetten die muziek veel te hard, klaag maar niet als je al jong doof bent”, en nors nam hij een hap van zijn boerenkool.
Verwachtingsvol keek ik naar het glas van mijn broer dat nog onaangeraakt op de tafel stond. Hij was net klaar met handen wassen.
‘Nu gaat hij drinken, altijd weer… altijd weer. Waarom niet eerst zitten? Nee, altijd eerst drinken. Staand drinken! Wie doet dat nou tijdens het avondeten?’
“Ach, in ieder geval hebben we dan wel volop genoten pa”, zei mijn broer en hij nam plaats achter zijn stoel, deed een greep naar zijn glas en nam een nietszeggende slok. Zo eentje die je alleen maar neemt omdat het moet, niet omdat het een functie heeft. Niet om ook maar op de geringste wijze de dorst te lessen.
Rechts van mij was het raspen nu echt goed begonnen. Het met de vingers over een schoolbord gaan. Kras, scherp en pijnlijk voor je oren. Piepend, barstend en tergend. Bij iedere hap die mijn vader nam liet hij zijn vork langs zijn tanden glijden wanneer hij een hap had genomen. Hap, kras, schep. Hap, kras, schep. Een godvergeten hels kabaal. Zo zacht en toch zo aanwezig.
“Ja, echt genoten heb je dan”, zei mijn vader met volle mond. In mijn verbeelding zag ik de microscopische deeltjes eten over de tafel vliegen, op het bord van mijn moeder, op het bord van mijn broer en op mijn bord. En niet te vergeten in de pan, op het tafelkleed, God nog aan toe, misschien zelfs op de vloer.
“Niet iedereen luistert nu eenmaal naar Pat Boon”, reageerde mijn broer.
Mijn vader zuchtte: “Nee, dat zou jij eens moeten proberen. Die rotzooi die ik soms vanuit jouw kamer hoor komen, dat is gewoon geen muziek meer”.
“En vroeger speelden we op gitaren en dan was het muziek”, reageerde mijn broer weer.
Nu zou mijn moeder het woord nemen, zoveel was zeker. Want er moet vrede op den aarde zijn! God zegen haar, zij zou Osama bin Laden en George W. Bush nog met elkaar bevriend willen maken! Laten we de lieve vrede bewaken!
“Was het leuk vandaag in Groningen?” vroeg ze mijn broer.
“Jawel hoor”.
“Interessante dingen geleerd?”
“Ja hoor”.
“Oh… nou mooi dan”.
Al slurpend nam mijn broer een slok van zijn water.
‘Jezus Christus’, dacht ik, ‘kan hij nou nooit eens normaal drinken?’

