Niet ver bij mij vandaan vind je de Rhijnvis Feithlaan. Rhijnvis Feith was een Nederlandse dichter, en zeker geen onverdienstelijke. Een citaat: ‘k Zie de kruin der bergen glimmen, Maar voor mij is ‘t eeuwig nacht. Prachtige woorden, maar toch is Feith enigszins in de vergetelheid geraakt. Vreemd is dat niet, aangezien hij in 1824 in Zwolle overleed. Zijn naam verraad dan ook het feit dat hij van enige tijd geleden is. Al was ‘Rhijnvis’ in die tijd ook al niet een heel veel voorkomende naam. Ik stel me een gestreste secretaresse voor van een basisschool.
Potverdikke, voor aankomend jaar is er een nieuwe jongen aangemeld, maar wat is eigenlijk zijn voornaam? Heet ie Feith? Of Rhijnvis? Beide klinkt te idioot voor woorden. Is het überhaupt een jongen? ‘Het zal wel’, denkt ze, ‘zoals het hier staat zal het wel goed zijn…’
Ik heb dat zelf ook een keer meegemaakt, dat ik niet wist wat nu eigenlijk de voor- en achternaam van iemand was. Monawara Artan heet ze geloof ik, of Artan Monawara, ik ben nog altijd niet zeker. Naar is dat toch eigenlijk. Al kan ik me voorstellen dat, als ik naar Afghanistan ga, er daar ook een secretaresse te vinden is die bij God, of nee, Allah, niet weet of mijn voornaam nu Feller, of Robert is.
Eerst een wens in vervulling laten gaan en dan na een jaar erop terugkomen
Terug naar Rhijnvis. Zoals ik al zei overleed hij in 1824. Een wens ging nog voor hem in vervulling: hij werd begraven in de Grote Kerk van Zwolle. Jammer alleen dat hij nog geen jaar later werd herbegraven op de Algemene Begraafplaats. Een beetje een sneue bedoening. Eerst een wens in vervulling laten gaan en dan na een jaar erop terugkomen. ‘Ach, hij is toch dood’. Dat is ook zo. Een ietwat gekke wens ook wat dat betreft, juist omdat je er niks van merkt. Sowieso geldt dat voor een boel wensen die gedaan worden door mensen op hun sterfbed. ‘Ja, echt. Dat zullen we voor je doen’. Dat zeg je dan, daar aan de rand van het bed, op dat moment. Wat anders? Wat dat betreft kun je het zo gek maken als je wilt.
Rhijnvis Feith kreeg een speciaal plekje, dat wel, plus een grote betonnen paal die moet doorgaan voor grafsteen. Op deze pilaar staan de woorden: Dat alles wat ik was of had de dood vrij roove; Gods waarheid wankelt niet, wie immer op haar bouw. Ik geloof in Jesus, en ik stierf in dat gelove, Mijn stof rust in dit graf op zijn verdienste en trouw. Maar door jaren van regen en wind is deze tekst niet langer leesbaar. Zo vervaagt alles rondom deze dichter, want ook zijn gedichten raken vergeten. En blijft alleen die bijna anonieme straatnaam voortbestaan, om ook – ergens in de toekomst – te verdwijnen.

